Tekst door Christel Stalpaert Vakgroep Kunst-, Muziek- en Theaterwetenschappen, Universiteit Gent

Vertragen als vorm van waakzame werkzaamheid
Christel Stalpaert Vakgroep Kunst-, Muziek- en Theaterwetenschappen, Universiteit Gent
Wie aan de universiteit werkt, kent het gevoel: er is altijd nog een aanvraag te
schrijven, een paper af te werken, een evaluatieformulier in te vullen, een volgende
deadline die zich aandient. De academische wereld draait op ritmes van
productiviteit, zichtbaarheid en meetbaarheid. Dat is begrijpelijk. Universiteiten
dragen verantwoordelijkheid voor kennisontwikkeling in een complexe samenleving.
Maar soms dreigt de snelheid waarmee kennis moet circuleren ook het denken zelf
te overschaduwen.
In mijn onderzoek en onderwijs keer ik daarom steeds terug naar een eenvoudige
vraag: hoe kunnen we goed functioneren binnen een kennisinstelling zonder volledig
op te gaan in haar versnelling? Hoe blijven we werkzaam zonder ons uitsluitend te
laten leiden door de logica van efficiëntie? Zoals de Duitse filosoof en
kunsttheoreticus Gerald Raunig in Factories of Knowledge (2013) beschrijft,
functioneren universiteiten steeds vaker binnen de logica van het cognitief
kapitalisme, waarin niet alleen goederen maar ook aandacht, creativiteit en kennis
voortdurend gevaloriseerd moeten worden, en waarin hurry is the normality de
impliciete norm is geworden. We komen zo in een sluimerstand terecht waarin we
blijven functioneren, produceren en presteren, maar steeds minder tijd en ruimte
vinden om kritisch te reflecteren op de structuren waarvan we deel uitmaken. Precies
daarom is het creëren van gedeelde tijd om te denken geen luxe, maar een
intellectuele noodzaak. Vertragen wordt dan een waakzame oefening: het
beschermen van de tijd die nodig is voor twijfel, verbeelding en meerstemmigheid.
Die vraag naar waakzame vertraging raakt aan een langere geschiedenis. De Indiase
schrijver Amitav Ghosh legt in De vloek van de nootmuskaat (2023) scherp bloot hoe
de moderne westerse vooruitgangsidee verbonden is met een mechanistisch
wereldbeeld: de natuur als grondstof, de mens als beheerder, kennis als instrument
van controle. Die manier van denken heeft onmiskenbaar bijgedragen aan meer
welvaart, betere levensomstandigheden en langere levensverwachtingen. Maar de
baten ervan werden ongelijk verdeeld en de vooruitgangsidee ging gepaard met
vormen van uitsluiting en epistemisch geweld. Andere – en vaak tragere – manieren
van weten, zoals belichaamde, intergenerationele of ervaringsgerichte kennis,
werden ontwaard en naar de marge verdrongen. En hoewel de universiteit vandaag
een heel andere plaats is dan de koloniale instellingen waarover Ghosh schrijft, zijn
bepaalde denkpatronen opmerkelijk hardnekkig overeind gebleven. Ook nu nog
wordt kennis al te gemakkelijk uitsluitend beoordeeld volgens criteria vanrendement, impact en output.
De uitdaging bestaat erin die logica te verschalken en
open te breken.
Daarom geloof ik steeds meer in de waarde van vertraging. Niet als nostalgisch
verlangen naar een langzamer verleden, maar als noodzakelijke voorwaarde om
waakzaam te kunnen denken. Ideeën hebben tijd nodig om te rijpen. Inzichten
ontstaan zelden op commando. Ze groeien in gesprekken, in twijfel, in het herlezen
van notities, in ontmoetingen tussen mensen die verschillende talen, disciplines en
ervaringen meebrengen. Vertragen betekent voor mij dan ook niet minder werken.
Integendeel. Het betekent aandachtiger werken. Het betekent ruimte maken voor
meerstemmigheid in plaats van onmiddellijk naar consensus te streven. Het betekent
onderwijs beschouwen als een gedeeld proces van onderzoek, eerder dan als een
efficiënte overdracht van kennis. En het betekent erkennen dat belangrijke kennis
vaak ontstaat op onverwachte plekken: in workshops met studenten, in
engagementen met artistieke praktijken en lokale burgerinitiatieven, tijdens
wandelingen met betrokken medeburgers, in het delen van ervaringen met mensen
die doorgaans niet als expert worden beschouwd.
In veel van de onderzoeks- en onderwijsprojecten waaraan ik de voorbije jaren mocht
meewerken, heb ik gezien hoe waardevol zulke momenten van vertraging kunnen
zijn. Wanneer studenten, kunstenaars en onderzoekers samen lezen, annoteren,
discussiëren en elkaars gedachten aanvullen, ontstaat een andere vorm van leren.
Niet het individu staat dan centraal, maar de kennisrelatie. Niet de prestatie, maar
de gezamenlijke zoektocht. Misschien ligt daarin een belangrijke opgave voor de
universiteit van de toekomst. Niet om zich terug te trekken uit de wereld, maar om
ruimtes te creëren waar denken opnieuw ademruimte krijgt. Waar snelheid niet de
enige maatstaf is. Waar we leren schakelen tussen handelen en reflecteren, tussen
expertise en luisteren, tussen produceren en zorgen.
In een tijd waarin ons lichaam als vanzelfsprekend in een haast-modus moet
(over)leven, is vertragen geen teken van zwakte. Het is een vorm van intellectuele en
maatschappelijke verantwoordelijkheid. Soms is juist de kleine onderbreking, de
aarzeling of de omweg nodig om andere mogelijkheden zichtbaar te maken. Daar
begint niet alleen het kritische denken, maar ook de verbeelding van een universiteit
– en bij uitbreiding een wereld – die meerstemmig, zorgzaam en toekomstgericht
durft te zijn.
De tekst kadert binnen een bredere onderzoekshouding die Christel in het cultuurmagazine Rekto:Verso uit de doeken deed.